Holland Abroad

 Het beleven van plaatsvervangende schaamte is geen genoegen. Maar ik kan niet om het verschijnsel heen: soms geneer je je dood voor uitspraken en gedragingen van landgenoten in het buitenland.

Zo bijvoorbeeld premier ("It is me what") Gerbrandy. Hij leidde de regering die tijdens WO II met de konin­gin naar Engeland vluchtte, had wel Latijn en Grieks gehad maar sprak geen woord Engels. Zijn eerste ontmoeting met de Britse premier ging dan ook niet goed. Prins Bernhard beschreef het gebeu­ren als volgt: "Toen Gerbrandy bij Churchill op bezoek ging, begroette hij deze met de woorden: 'Good-bye, mister Churchill', waarop Churchill zei: 'What, already?' Volgens andere bronnen zou Churchill later hebben gezegd: "Dit was de kortste ontmoeting die ik ooit heb gehad."

Het lijkt dan wel weer typisch Nederlands van mij (en natuurlijk van velen met mij) om je te generen voor het ge­brekkige Engels van landgenoten. Want Engelsen zelf hebben nooit - ook niet in hun koloniën - de moeite genomen andermans taal te leren. Toch, elke keer word ik overvallen door plaatsvervangende schaamte als een prominente landgenoot krom Engels produceert bij officiele gelegenheden.

 Fanny Blankers-Koen werd in 1999 door de IAAF gekozen tot de beste atlete van de 20ste eeuw.

Haar dankwoord in zelfgebakken Engels is goddank niet op Internet te vinden, maar behoort tot mijn hevigste schaamte-momenten. Al 50 jaar wereldberoemd en dan nog niet de moeite nemen enig Engels te leren. Treurig!


Karremans: "Is dat voor mijn vrouw?"

Een heel ander soort plaatsvervangende schaamte overvalt mij als ik zie dat een Nederlander zich in het buitenland kruiperig of laf gedraagt. En zeker als het gebeurt om er geld mee te verdienen. Vierhonderd jaar geleden gebeurde dat al in Japan, waar Nederlanders als enige blanken op een piepklein eilandje (ter grootte van de Dam in Amsterdam) mochten verblijven om handel te drijven. Ze moesten dan wel de Nederlandertest ondergaan, dat wil zeggen een crucifix vertrappen om te bewijzen dat ze het Christelijk geloof verwierpen. Op het eiland mocht ook geen enkel symbool van die godsdienst voorkomen. Ik heb zelf niets met het geloof (in welke vorm dan ook), maar als ik lees wat onze landgenoten er destijds voor over hadden om rijkdom te vergaren, stijgt het schaamrood me naar de kaken.

De aller-allerergste plaatsvervangende schaamte die mij ooit overviel vond plaats in 1995 toen Dutchbat III de Bosnische moslim-enclave Srebrenica vrijwel zonder slag of stoot overdroeg aan Generaal Mladic en zijn Servische troepen. Vooral het gesprek tussen bullebak Mladic en de duidelijk geïntimideerde, bange commandant Karremans zal me altijd bijblijven. "I always say: don't shoot the piano player," ontviel hem in zijn angst de kogel te krijgen. De volgende dag hielpen soldaten op Karremans aanwijzing de Servische troepen bij het scheiden van vrouwen en kinderen en Srebrenica-mannen.

Karremans ontving van Mladic een lamp als cadeautje en vroeg aangenaam verrast: "Is dat voor mijn vrouw?"

Zolang je niet zelf in zo'n situatie bent beland weet je niet of je dapperder geweest zou zijn dan Karremans, laat ik dat voorop stellen. Maar een ding weet ik wel: als ik me zo zou gedragen als hij, zou ik me later diep, diep schamen voor mijn lafheid. Vandaar ook mijn plaatsvervangende schaamte elke keer als ik de video tegenkom die de filmploeg van Mladic van de ontmoeting maakte. Het is te zien op youtube (zoek: Karremans) en het aantal mensen dat er met gekromde tenen naar heeft gekeken telt al 6 cijfers.


(Deze column verscheen eerder in het maandblad East, 2014 - 3)

Andere Columns: