(Over Indië) Koud



In de koloniale tijd had elke grote plaats in Indië een "boven", een vakantieoord in de bergen waar employees van grote bedrijven bij toerbeurt een frisse neus konden halen in weekends of tijdens de vakantie.
In Surabaya waar ik opgroeide was dat Tretes, een plaatsje op 800 meter hoogte tegen de helling van de Welirang. Overal hoorde je er het zacht kabbelende water dat - afkomstig van de top van de berg en bitterkoud - langs de bungalows geleid werd om de tuinen te bewateren. 's Avonds werd het daar echt fris en opscheppers onder mijn vriendjes beweerden dat ze dan wel eens ademwolkjes uit hun mond hadden zien komen. Net zoals in de winterverhalen over ons verre vaderland.
Nu, royaal een halve eeuw later, is in Indonesische steden de airconditioner overal te horen en rijdt men in z'n eigen ijskastje door de stad. Je zou verwachten dat de behoefte aan een frisse neus dan minder wordt, maar de trek in echte natuurlijke kou blijkt nog net zo groot als in de koloniale tijd. In de weekends trekken de Indonesiërs dan ook massaal de bergen in. De weg naar bijvoorbeeld de Puncakpas (vanuit Jakarta) is al vroeg op de zaterdagochtend één lange file en dat geldt voor meer "bovens".
Net zoals Europeanen graag de zon opzoeken, reist de Indonesier graag naar de kou. Daar zit logica in.
Maar het vreemde is dat de gebruikelijke toeristenroutes door Java en Sumatra zich niet aan die logica houden. Ik had dat eigenlijk nog niet door toen ik op een avond in het bergdorpje Baturaden merkte dat ik iets te tropisch gekleed was en een mentale notitie maakte: voor een volgende reis een trui meenemen. Ik had ook nog niets in de gaten toen ik een paar dagen later rillend in een hotelkamer in Sarangan zat, op 1200 meter hoogte in het hart van Java's hooggebergte. In arren moede dook ik maar vroeg het bed in.
Pas in Tretes viel het kwartje toen ik een duik had genomen in het bitterkoude water van voorheen Zwembad Van Vloten (nu Tretes Raya). Na enkele minuten klom ik de kant op en ging in de zon zitten uitrillen. En toen viel me pas in hoe dwaas het eigenlijk is dat toeristen uit Europa in Indonesië een koude neus gaan halen. Die hoef ik in Nederland toch alleen maar buiten de deur te steken?
Ergens zijn de oude koloniale verlangens naar "boven" verward geraakt met de huidige (eigenlijk heel andere) behoefte van Europese vakantiegangers aan zon en warmte. De oorzaak van die gedachtefout ligt natuurlijk in het feit dat de eerste golven vakantiegangers oud-indischgasten waren die graag de plekken van hun jeugd terug wilden zien. Daar hoorden uiteraard de koele vakantie-oorden bij, waar van oudsher ook de mooiste hotels en bungalows stonden. Makkelijk voor de reisorganisaties. Maar willen eilanden zoals Java en Sumatra een nieuwe generatie toeristen uit het westen aantrekken, dan zou het wel eens de moeite kunnen lonen juist de lagergelegen tropische schoonheden van deze gebieden verder te ontwikkelen. Ik heb maar één verzoek: blijf van het strand van Pasirputih (Oost-Java) af! Dat is van mij.

 

Deze column verscheen in het tijdschrift Archipel (zomer 2005)

Andere Columns: