P.F.Thomése - Ik, J. Kessels (2018)


Tja




'Stront, seks en foute grappen. Ik heb Ik, J. Kessels schuddend van het lachen zitten schrijven' laat schrijver P.F. Thomése in de Volkskrant weten. Dat schept verwachtingen, want wie wil nou niet schuddend van het lachen een boek lezen over stront en seks en met foute grappen?
Thomése stelt niet teleur. Slap geouwehoer is een véél te zwakke kwalificatie voor het pulpverhaal dat hij schrijft over de auteur P.F. Thomése die van zijn uitgeverij een manuscript retour gestuurd krijgt dat hij blijkt niet geschreven te hebben. Na zijn twee eerdere romans over de rokende, snuivende, drinkende en onder elke rok nattigheid voelende Brabantse journalist J. Kessels, heet dit manuscript Ik J. Kessels en zou door het personage zelf geschreven zijn.

Géén theoretische mogelijkheid want J. Kessels bestaat echt (hij is columnist bij het Eindhovens Dagblad) en was als jonge journalist inderdaad bevriend met P.F. Thomése, met wie hij enkele welbesproeide reizen ondernam in Duitsland en de Verenigde Staten. Maar Kessels heeft meermalen laten weten niet gecharmeerd te zijn van Thomése's pastiche over hem.
Net zoals Telegraafjournalist Jan Spierdijk weinig gecharmeerd was van de belevenissen van de op zijn lijf geschreven Koos Tak, zoals jarenlang gerapporteerd in de Haagse Post door zijn pestkoppen Eelke de Jong en Rijk de Gooijer.

Op zoek naar de waarheid achter dit niet door hem geschreven manuscript trekt P.F. Thomese naar hun beider hometown Tilburg en schrijft over deze tocht een duidelijk hilarisch bedoeld verslag. En natuurlijk is Tilburg nog steeds Tilburg en als je een pilsje gaat drinken zijn de nachtfeeën daar nog steeds:

'Ik had plotseling ontzettende zin om met ze te neuken, die lieve lellebellen, uit dankbaarheid voor iets, maar ik kon niet kiezen. En zij ook niet. Telkens als ik zacht en romig ergens binnengleed, voelde ik een fijnzinnig handje dat mijn knoeperd weer naar buiten de kou in stuurde, waarna hij vanzelf ergens anders weer naar binnen glibberde. Maar van wie de ene en van wie de andere flamoes nog was, daar kon ik geen wijs meer uit. Ik lag onder, dus ik had er zelf geen zicht meer op. Soms meende ik de blonde te herkennen aan de ongearticuleerde geluiden die ik oppompte, maar ook in de andere schede waren de scheten niet van de lucht. We leken met z'n drieën wel een hoempaorkest.'


Het is heel goed denkbaar dat lezers na het roken van hasj en/of het drinken van te veel bier de slappe lach krijgen bij het lezen van Ik J. Kessels.
Zo'n boek als dit moet daarom natuurlijk kunnen bestaan. Maar daarmee is wel alles gezegd.


(Deze recensie verscheen eerder op de website Literair Nederland, 18 april 2018)

Terug