Diederik van Vleuten - Daar werd wat groots verricht (2018)



Oom Jan in de tropen


Dat Nederland ooit een kolonie had die Nederlands-IndiŽ heette is de meeste Nederlandse schoolkinderen van nu niet bekend. Toch is het nog maar 70 jaar geleden dat Nederlands-IndiŽ IndonesiŽ werd.
De koloniale geschiedenis die daaraan voorafging laten we graag achter ons. Zeker nu al enkele decennia steeds meer bekend wordt over wat er gebeurde tijdens de politionele acties. Nederland zond in 1947 en 1948 meer dan 100.000 bewapende jonge mannen naar de kolonie om de orde te herstellen. Zij kenden de taal niet en moesten in een vreemde omgeving een vijand uitschakelen die een guerilla-oorlog voerde en niet te onderscheiden was van de rest van de bevolking. Geen wonder dat ze, patrouille lopend over sawah-dijkjes, uit pure angst op alles schoten wat bewoog.
DŠt ze gestuurd werden was mede het gevolg van het feit dat eind 1945 wel de republiek Indonesia was uitgeroepen, maar dat de regering van Soekarno en Hatta nog geen machtsmiddelen hadden om de orde te bewaren in de zojuist door het Japanse leger overgegeven gebieden. De Nederlandse militairen waren nog in krijgsgevangen-kampen elders en de Engelse bevrijders konden alleen de belangrijkste steden bezetten.

In de rest van IndonesiŽ ontstond een machtsvacuum. En onder het motto 'bunuh belanda' (doodt de blanken)  oefenden bendes jonge nationalisten (Pemoeda's) daar maandenlang een terreurbewind uit dat vele levens kostte, ook van IndonesiŽrs die deze terreur niet wilden. De bange uittocht in 1946 - 47 van 110.000 blanke en halfblanke "Indische Nederlanders" naar het voor velen onbekende moederland leverde geen integratie-probleem op, want dat het Tjeukemeer een water in Friesland was hadden ze allemaal op de lagere school geleerd.


Trots en schaamte, verdriet en verlangen

Maar Nederlands-IndiŽ, voor de meeste Nederlanders een schim uit het verleden, is door die (uiteindelijk 300.000) gerepatrieerde oud-Indischgasten en hun nazaten tot op heden niet vergeten.
Rudy Kousbroek beschreef hun gevoelens het best in Het Oostindisch Kampsyndroom: Trots en schaamte, verdriet en verlangen waren voor hem de emoties verbonden aan het koloniaal verleden. Maar: "Het wordt tijd dat iemand er eens eerlijk voor uit komt wat het precies is waarnaar zo intens wordt terugverlangd: naar de onschuld waar mee je als kind koloniale verhoudingen onderging. Het paradijs, jawel, maar met de jeugd van koningskinderen, een wereld waarin zelfs de meest Indische Nederlander een relatief bevoorrechte positie had."
Die tegenstrijdige gevoelens van wat Kousbroek elders noemt "Schaamte, spijt en verlangen (...) maar de meeste van deze is het verlangen" hebben de Nederlandse literatuur verrijkt met een Indische zijtak. En daar hangt sinds kort een nieuwe vrucht aan, het foto/tekst-boek Daar werd wat groots verricht van Diederik van Vleuten.
Toen in 2008 duidelijk werd dat zijn samenwerking met cabaretier Eric van Muiswinkel ten einde kwam en hij zich afvroeg wat hij zou gaan doen, bracht zijn vader hem de memoires van Diederiks oud-oom Jan van Vleuten (1906-1989), die opgegroeid was in de Oost en daar ook een fors deel van zijn werkend bestaan had doorgebracht. Hij was een goed voorbeeld van de koloniaal die hield van Nederlands-IndiŽ en trots was op wat de Hollanders daar hadden gepresteerd. En die nu moest constateren dat alles wat hij daar opgebouwd had, inmiddels was vernietigd. Om toch wat na te laten schreef hij zijn levensgeschiedenis op, onder de titel: Omzien in weemoed.


Lezing met lichtbeelden
Deze 672 pagina's tellende handgeschreven herinneringen van zijn oom en het bijbehorende fotomateriaal inspireerden Diederik van Vleuten tot een nieuwe vorm van cabaret: een deels humoristische, deels weemoedige en soms huiveringwekkende lezing-met-lichtbeelden. Hij dacht er mee te kunnen optreden in kleine zaaltjes, maar het programma werd een groot succes. Vooral dankzij de toestroom van Nederlanders met een Indische achtergrond, die vaak familie-gewijs naar het optreden kwamen: eindelijk iemand die vertelt wat wij voelen.
Ter afronding van deze periode in zijn bestaan als cabaretier heeft Diederik van Vleuten nu dit foto/tekstboek gemaakt.
De familie Van Vleuten (Pan Pleten in de Indonesische tongval die de v en de eu niet kent) woonde drie generaties lang in Nederlands-IndiŽ, als militair, koopman, ambtenaar of (zoals oud-oom Jan) planter. Zij hadden een sterk gevoel voor historie en bewaarden al het fotomateriaal, brieven en documenten die tijdens hun leven in hun handen kwamen. Oom Jan's archief-koffer overleefde zelfs de oorlog, dankzij een trouwe bediende. En zo kon Diederik putten uit een enorm familie-archief.
In 1961 verscheen Tempo Doeloe, een door Rob Nieuwenhuys samengesteld boek met prachtige foto's uit het eind van de 19e en begin 20e eeuw. Die beelden en zijn bijbehorende teksten gaven voor het eerst de gevoelens weer die de Indische gemeenschap in Nederland al zo lang met zich meedroeg.
Het boek van Diederik van Vleuten is van hetzelfde kaliber, maar het verschil is dat we hier ťťn persoon en zijn familie volgen op hun levenspad in de tropen en later Bibberland. Terwijl Nieuwenhuys selecteerde op beeldkwaliteit en  indrukwekkendheid van de foto's en kon volstaan met bijschriften, zijn Diederik's illustraties - naast fraaie portretten - vaak gelegenheidskiekjes en moet hij het vooral hebben van het verhaal er achter.


Planter in Nederlands-IndiŽ

En dat is ook meer dan boeiend als weergave van het bestaan in de tropen.
We volgen tot in klein detail Jan van Vleuten's kindertijd op Java, de schooltijd (gedwongen in Nederland doorgebracht), zijn plantersopleiding in Zuid-Afrika, de terugkeer naar IndiŽ waar de plantages zwaar leden onder de crisis van de jaren dertig maar Jan toch carriŤre maakte, het huwelijk met Aukje (eveneens een kind van de Oost), de beroerde oorlogstijd in een Japans interneringskamp, de vlucht in 1946 naar Nederland en ten slotte in 1947 de terugkeer naar IndiŽ voor de wederopbouw van de plantages. Een tot mislukking gedoemde taak in een land waar chaos heerste. "De grootste moeilijkheden ontstonden omdat er volstrekt geen 'gezag' meer was waar men zich aan stoorde. 'Merdeka' (vrijheid), de leuze van de revolutionaire beweging, betekende in de praktijk dat men deed wat men wilde. Daar kwam bij dat het Indonesische gezag niet durfde op te treden tegen hun landgenoten."
Het onvermijdelijke definitieve vertrek vond plaats in 1954 (vijf jaar na de souvereiniteitsoverdracht), toen de verhoudingen tussen Nederland en IndonesiŽ zo verslechterd waren dat alle Nederlanders moesten vertrekken, of ze nu nuttig voor het land waren of niet.
Samen met Aukje moest hij proberen in Nederland te wennen en aan de slag te komen in een land waar voor planters weinig emplooi was.  In het onderwijs vond hij soelaas, tot zijn pensioen in 1972.
Maar na de dood van Aukje in 1978 kreeg hij last van depressies en begon op advies van zijn arts te schrijven.

"Ik geloof dat elk mens ergens de behoefte heeft om iets na te laten van blijvende waarde. Dat kunnen kinderen zijn, maar ook iets in de totstandkoming waarvan hij of zij een scheppend aandeel heeft gehad. Alles wat ik in IndiŽ heb helpen opbouwen en waaraan ik de beste jaren van mijn leven heb gegeven is verloren gegaan. Ik voel mij een kunstenaar die zijn schepping vernield ziet. Het is weg, geschiedenis, en van geen enkel belang meer."

Constaterend dat hij eigenlijk niets naliet in de wereld, schreef hij op wat hij allemaal had meegemaakt. Voor het familiearchief, niet wetend dat neefje Diederik er zoiets moois van kon maken.
Het is een boek van kloek formaat geworden, barstensvol foto's, feiten en feitjes. En daartussen een boeiend geschreven verhaal met goed gekozen stukken uit oom Jan's memoires.
Een aanrader. Ook voor Nederlanders zonder Indische achtergrond.

Hans Vervoort (Magelang, 1939)


(Deze recensie verscheen eerder in de opiniekrant
Argus, 3 april 2018)

Terug