Rudy Kousbroek 80 jaar

Het was in 1941, in het internaat van de Planters School Vereniging in Brastagi dat de 12-jarige Rudy Kousbroek een wonder beleefde dat bewees dat wonderen niet bestaan. Nadat hij betrapt was op het vertellen van een erotisch verhaal aan een slaapzaal lotgenoten nam directrice M. zijn heropvoeding ter hand. En wel op zeer gristelijke grondslag. Maar Rudy was net in die tijd ernstig gaan twijfelen aan de waarheid van het Evangelie en weigerde vergiffenis te vragen aan de Verlosser. Die avond werd hij in de badkamer opgesloten met de belofte dat God hem voor het aanbreken van de ochtend zou laten sterven als hij Hem niet voor die tijd om vergeving had gevraagd. Een lange bange nacht volgde, de zwartste bladzij uit zijn jeugd. Maar o wonder, Kousbroek overleefde en kon de directrice meedelen dat het nu bewezen was: er is geen God.
Het was de eerste overwinning van ratio boven geloof die hij behaalde.
Er zouden er in zijn latere carrriëre als essayist nog heel wat volgen. Het is Kousbroeks levensvervulling geworden de achterkant van het gelijk te zoeken en zich af te vragen waarom dat niet de voorkant kan zijn. En dat is hem vaak niet in dank afgenomen.
In de eind jaren tachtig met verve gevoerde discussie over 'wat was erger, de Japanse of de Duitse kampen?' koos hij ferm stelling tegen elke overdrijving van het Indische leed. Zakelijk gezien terecht, want natuurlijk was er geen vergelijk. In het vuur van de discussie had hij wel eens de neiging het Indische trauma te bagatelliseren maar als een tegenstander dat naar voren bracht (ik heb het een keer mogen doen), was Kousbroek niet te beroerd gas terug te nemen. Hij is een discussiant, geen querulant.
Essayisten worden gezien als rationalisten en Kousbroek speelt dat spel graag mee. Maar eigenlijk gaat het bij hem zelden om puur intellectuele exercities, maar vooral om het zoeken naar de oorzaken van een gevoel dat hem overvalt als hij iets ziet of hoort of leest.
Waarom voel ik wat ik voel? Waarom trilt die snaar?
En vooral de herinneringen aan zijn jeugd in Ned.-Indië beroeren vele snaren: "Schaamte, spijt en verlangen, dat zijn voor mij de emoties verbonden aan ons koloniale verleden, maar de meeste van deze is het verlangen."
In Het Oostindisch Kampsyndroom (1992) werkt hij deze emoties uit: de schaamte over de stupiditeit van ons kolonialisme, de spijt over alle foute beslissingen. Had dat nou niet anders gekund? Waarom al die gemiste kansen? En dan het verlangen dat hem onherroepelijk bekruipt bij elke herinnering aan het land van herkomst. Deze nostalgie beschrijft hij treffend als "het de weg weten in een huis dat niet meer bestaat"
Maar: "Het wordt tijd dat iemand er eens eerlijk voor uit komt wat het precies is waarnaar zo intens wordt terugverlangd: naar de onschuld waar mee je als kind koloniale verhoudingen onderging. Het paradijs, jawel, maar met de jeugd van koningskinderen, een wereld waarin zelfs de meest Indische Nederlander een relatief bevoorrechte positie had."
Betere verwoording van de bittere en tegelijk zoete waarheid van het Indisch verlangen lijkt mij niet.denkbaar. Het bewijst ook Kousbroeks speciale gave: hij denkt niet alleen met het hoofd, maar ook met het hart.

 

Deze column verscheen in het tijdschrift Archipel (2009-3)

Andere Columns: