Avonturen in bos en veld, van onze kleine held

Ik moet nog ergens in een oude verhuiskist die mailing hebben uit 1956. Ik was 17 en schreef. Vanuit mijn ziel. De redactie van de HBS-schoolkrant had weinig oog voor mijn experimentele proza en omgekeerd vond ik het ook bezwaarlijk om mijn paarlen voor die zwijnen te werpen.
Dus bedacht ik iets: een door mij te starten literair tijdschrift voor beginnende schrijvers, met recht van publicatie.
Het achterliggende idee was het ei van Columbus. Wie zich op het blad abonneerde zou ook het recht krijgen om per jaar 8 pagina's van zijn eigen proza of poëzie in het blad te plaatsen. Die 8 pagina's leken me wel het minimum.
Ik zag al grootse perspectieven, pakweg 500 abonnees/deelnemers, dus 4000 pagina's te drukken per jaar. Bij 10 afleveringen per jaar dus 400 pagina's per nummer. Ai, dat leek toch wel veel en omdat ik HBS-A deed en dus ook boekhouden en handelsrekenen als leervak had merkte ik al vrij snel dat het briljante idee een zwak punt kende: hoe meer deelnemers hoe dikker elk nummer zou moeten worden en hoe groter de oplage waarin dat dikke nummer gestencild en verzonden moest worden. De abonnementsprijs zou bij elke volgende abonnee moeten stijgen. Dat stond haaks op alle wetten van goed zakendoen. Back to the drawing board, dus.
Na veel hand-rekenwerk (hoezo zakjapanner) kwam ik tot de conclusie dat het juist een beperkt project moest worden met maximaal 50 abonnees/deelnemers. Als iedereen z'n 8 pagina's opeiste zouden er per jaar 400 pagina's verschijnen, bij 10 afleveringen dus 40 pagina's per nummer.
Dat viel te doen voor een schappelijk abonnementsbedrag van een paar gulden per jaar, dat had ik uitgevist bij een stencilbedrijf, de Printerette van die tijd.

Nu was het idee compleet en haalbaar: een blad van jonge schrijvers voor jonge schrijvers met een maximaal aantal deelnemers van 50. Je had het recht om jaarlijks 8 pagina's van je eigen teksten te publiceren en je kreeg een lezerskring van 49 gelijkgestemden. Ik maakte een mailingtekst over dit idee, liet het in een paar honderd exemplaren stencilen en stuurde exemplaren naar de leraren Nederlands van zoveel mogelijk middelbare scholen, met het verzoek ze uit te delen aan leerlingen met literaire ambities.
Vol vertrouwen wachtte ik de toestroom van aanmeldingen af. De post werd destijds twee keer per dag bezorgd, daar kon het niet aan liggen.

Maar het bleef bij één aanmelding, ondertekend door Max Arian, leerling van het Joods Gymnasium te Amsterdam. Ik hoop dat ik zo netjes geweest ben om hem te melden dat het idee bij gebrek aan belangstelling onuitvoerbaar was.
Jaren later kwam ik zijn naam tegen als redacteur van de Groene, hij had zijn blad toch gevonden. Zelf ontdekte ik op mijn twintigste Propria Cures, nog steeds het blad om als papieren schrijver te beginnen. Let erop dat je gaat inzenden als de redactie drie mensen of minder telt, dan is de kopijnood het hoogst. Adres: Vendelstraat 2, 1012 XX Amsterdam
Maar Internet is natuurlijk ook prachtig. Dom dat ik dat destijds niet even uitvond.

(Writer's Block, juni 1999)

Andere Columns: