(Over Indië) Indische graven

In 1953 gingen mijn ouders uit Indonesië terug naar Nederland en als veertienjarige had ik geen keus. Lange donkere jaren volgden, met een intens heimwee naar het land waar ik geboren was en opgroeide, maar waar ik niet meer mocht zijn.
Dat het post-koloniale tijdperk series heimwee-fotoboeken zou opleveren was voorspelbaar en ik heb er vele doorgebladerd, op zoek naar mijn eigen herinneringen en die van mijn ouders.
Maar toen Rob Nieuwenhuys' Tempo Doeloe in 1961 verscheen was dat een heel andere gebeurtenis dan het zoveelste plaatjes-album van Hein Buitenweg. Voor het eerst werd mijn land van herkomst anders gepresenteerd dan als object van heimwee. De foto's in Tempo Doeloe en de toelichtende teksten gaven een bevlogen maar onsentimenteel beeld van de koloniale tijd en sommige foto's maakten een onuitwisbare indruk.
 
 Graven plantentuin
 
Ik noem de foto 'De resident en zijn probleem', waar je de resident De Vogel (vermoeid maar alert) afgebeeld ziet naast de soesoehoenan van Soerakarta, een Indonesische aristocraat die in zijn halfgeloken oogopslag laat weten waarom deze foto die titel draagt. De koloniale maatschappij was ingewikkeld en geen paradijs, de drie foto-tekst-boeken die Rob Nieuwenhuys na Tempo Doeloe liet volgen, geven daar een rijke illustratie van.
De foto die op mij de meeste indruk maakt is die van het kleine kerkhof in de Plantentuin van Buitenzorg, omgeven door een ondoordringbaar bamboebos en bereikbaar via een smal pad. De graven dateren uit 1840-50.
 
bogor kerkhof
 
Deze foto gaat over de dood, die in tempo doeloe altijd heel dichtbij was en snel als de wind. De ene dag nog gezond en energiek, de volgende dag koortsig en klaaglijk, de derde dag met een zucht vertrokken. En dan heel snel begraven, dezelfde dag nog of de volgende ochtend, het klimaat liet geen uitstel toe.
'Waar blijft Hendrik toch?'
'Ach, heb je het niet gehoord?'
Juist het zo snel begraven maakte de dood tot iets onwezenlijks, geen tijd om te rouwen en afscheid te nemen. Wie gisteren nog volop leefde was een dag later stilte geworden en voorgoed onzichtbaar. Had hij ooit bestaan?
Bas Veth, de koopman die Indië haatte en na twaalf jaar met een zucht van verlichting verliet, schreef er al over in zijn bittere herinneringenboek Het Leven in Nederlandsch-Indië (1900).
En een eeuw later stijgt uit zijn tekst nog de geur van zijn angst op: het zal me toch niet overkomen, dood en begraven in twee dagen, zo ver van huis, in dit godvergeten land? P.A. Daum gebruikte de schok van de tropendood als een natuurlijk gegeven in de levensverhalen van zijn personages. Max Havelaar raakte van zo'n dood over zijn toeren, en toen vele jaren later Generaal Spoor plotseling overleed, overleefde de mythe van vergiftiging hem tot op heden. De dood was er altijd, in Indië, en zo snel dat men er geen raad mee wist.
 
Mijn één jaar oudere broer overleed op zesjarige leeftijd in het Japanse kamp en mijn moeder mocht even de poort uit om hem te begraven.
Hij was de enige in onze familie met blauwe ogen en ik heb maar één herinnering aan hem: een levendig jongetje in het ziekenzaaltje van het kamp, die mij vertelde dat hem iets vreemds was overkomen, hij moest niezen en lachen tegelijk. 'En wat heb je gedaan?' vroeg ik gespannen, het leergierige jongere broertje. Het antwoord is in de tijd verloren gegaan, dat zit me nog steeds dwars. 'Allebei', denk ik dat hij gezegd heeft. Een dag later was hij er niet meer.
En ikzelf dan, toch ook nog een kind van die beroerde tijd
Wat had ik? Tyfus? Cholera? Zo'n ouderwetse ziekte in elk geval, waar je in een kleine zucht van de tijd aan dood kon gaan. Ik heb een koortsige herinnering aan mijn moeder die troosteloos huilde aan mijn ziekbed in het kamp, en aan pijnlijke zoutinjecties die hielpen.
Ik overleefde, ik bofte, ik had er ook allang niet meer kunnen zijn.

De dood. Rob Nieuwenhuys wijdde er deze foto aan, met de tekst: 'Het kerkhof in de Plantentuin, onvergelijkelijk mooi gelegen, verscholen in een bamboebos, onder het groen gezeefde licht'. Die mini-begraafplaats in de plantentuin van Bogor bezocht ik in 1974 en 2003, vele jaren na deze foto. In de vrijgehouden ruimte in het hart van een bamboebos liggen ze er nog steeds, het naamloze doodgeboren zoontje van Jean Cretien Baud en Ursula Johanna van Braam naast de GG Eerens (1781-1840). Veel pasgeborenen en jonggestorvenen, een dodendorpje met zo'n dertig inwoners.Tijdelijk levend en na de dood tijdloos opgeborgen in deze bamboe-cocon.
Een foto, een herinnering, een deel van het oeuvre van Rob Nieuwenhuys. Ik ben hem er dankbaar voor.

 
(Deze tekst is op 30 juni 1998 uitgeproken bij de 90ste verjaardag van Rob Nieuwenhuys en is onder de titel 'Morgen gij' opgenomen in het boek Met andere ogen. Dertig vrienden over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. Querido, 1998.)

Andere Columns: