(Over Indië) Indische kaaskop

Op de oude klassefoto's uit Makassar en Surabaya waar ik in de jaren veertig en vijftig de lagere en middelbare school bezocht staan altijd twee of drie witte jongens en meisjes tussen de donkerder leerlingen. Een van die kaaskoppen was ik. Alhoewel geboren en getogen in de tropen had ik de pech dat mijn beide ouders uit Utrecht kwamen en zo blank waren als blank maar kon zijn. Ik dus ook. Ik schrijf pech omdat je als blank jongetje op de scholen in Indonesië behoorde tot een minderheidsgroep. Je was ook grover gebouwd en bewoog wat onhandiger dan je vriendjes die de bof hadden een scheut Indonesische genen in hun mix te hebben. Als blank jongetje op een bruine school voelde ik mij altijd de mindere, en ook een beetje buitengesloten.
Nu we door historische omstandigheden met z'n allen in Holland terecht gekomen zijn, heeft die jeugdervaring het voordeel dat niemand mij ooit heeft hoeven uitleggen hoe dat voelt: Indo zijn in Nederland. Een beetje anders zijn en niet helemaal voor vol te worden aangezien door je directe omgeving, ik ken het uit eigen ervaring: kepala kèju (kaaskop) in Surabaya.
Nederlander ben ik in Holland nooit geworden, al heb ik uiterlijk alles mee om gewoon op te gaan in deze maatschappij. Maar in mijn hart hoor ik hier niet thuis, ik voel me geen Hollander.

 jongenskoortje 3
 

Ben ik indisch?
Ik zou het graag van mezelf willen zeggen en heb het ook wel eens gedaan. Maar steeds vaker word ik op de vingers getikt: dat woord is voorbestemd voor de echte Indo's. Is er niet een naam voor mensen zoals wij, vroeg ik eens aan Rudy Kousbroek, belanda's die opgegroeid zijn in de tropen en net zoveel heimwee hebben naar hun geboorteland als de Indo's?
Mestiezen, opperde hij, maar dat heeft voor mij een wat te Mexicaanse klank.
Nederlands-Indisch noem ik mezelf tegenwoordig wel eens, dan heb ik ook een identiteit. Maar ik zal heel mijn leven wel een beetje jaloers zijn op de echte Indo's. Niet om hun cultuur of levensstijl want die heb ik me van jongsafaan eigen gemaakt. Maar vooral om hun afkomst, die veel spannender is dan de reeks Utrechtse aannemers en (deels ook nog kleurenblinde) behangers waar ik vanaf stam. Volgens mijn moeder zat er ooit één Zwitser in haar familie, maar daar word ik niet warm of koud van. In de stamboom van Indo's zitten behalve één of meerdere bekoorlijke of goed kokende Adinda's altijd een hele rits avontuurlijke Fransen, Duitsers, Belgen en een enkele verdwaalde Engelsman of Portugees. Dat is different cook.
Wat te doen, als Nederlands-Indischman met een saaie stamboom?
Met zoet gefluit kreeg ik een indisch meisje 40 jaar geleden zo ver dat ze met mij wilde trouwen. We kregen twee zoons en wat ik zelf nooit kon bereiken heb ik hen nu toch kunnen meegeven: ze zijn indisch. Ze hebben een kleurtje, een massa nationaliteiten in hun bloed en een gezonde behoefte aan rijstmaaltijden. Zo is alles toch nog goed gekomen.

Deze column verscheen in het tijdschrift Archipel (voorjaar 2008)

Andere Columns: